Ooievaar

De meeste ooievaars verlaten in de winter de broedgebieden en vliegen naar het zuiden omdat het voedsel schaars wordt. Sommige ooievaars overwinteren in Spanje, Portugal en het Midden-Oosten maar de meeste vliegen naar Afrika. Onze broedvogels overwinteren in Spanje en Portugal, en ook wel in West-Afrika. Vogels uit de oostelijke broedgebieden vliegen naar Oost-Afrika en zelfs tot Zuid-Afrika, een vlucht van maar liefst 12.000 km!
Om energie te besparen op hun lange vlucht maken ooievaars al zwevend gebruik van de warme luchtstromingen. Die luchtstromingen noemen we thermiek en vinden we boven land enkel overdag door de warmte van de zonnestralen. Boven zee is er geen thermiek en dus zoeken ooievaars naar de smalste oversteekplaats van de Middelandse Zee, namelijk Gibraltar in het zuiden van Spanje en de Bosporus in het noorden van Turkije. Op deze routes zie je tijdens de trek in voor- en najaar grote groepen zwevende ooievaars en roofvogels. Groepen tot 10.000 ooievaars zijn geen uitzondering!
Wanneer ze Afrika bereiken gaan ze snel vooruit dankzij de hoge temperaturen en de daarbij horende opstijgende lucht. Ze vliegen tot 1000 - 2500 m hoog, met een gemiddelde snelheid van 45 km per uur.
De thermiekbellen zijn onzichtbaar want het zijn bellen warme lucht. Wanneer een ooievaar in zo'n bel terecht komt wordt hij omhooggeduwd door de opstijgende lucht. Nadat ze voldoende hoogte gewonnen hebben verlaten de vogels al glijdend de thermiekbel.
Het is eenvoudiger om die onzichtbare warme luchtbellen te ontdekken door in grote groepen te trekken. Wanneer één vogel een bel ontdekt schiet hij omhoog en de andere vogels glijden dan ook naar de thermiekbel. Eens uit de bel verspreiden de vogels zich weer een beetje tot de volgende gevonden wordt. Hoe groter de groep hoe sneller een nieuwe thermiekbel gevonden kan worden, in groep vliegen is dus voordeliger dan alleen voor deze zweefvliegers.